Retourtje hemel

Maandag, 12 januari 2015
Ik ben dus gesprongen. Van de Smetanaflat in Assen. Maar die bleek niet hoog genoeg, dus de eerste sprong mislukte. Ik wist mezelf naar boven te slepen. En toen sprong ik weer. En nadat ik de tweede keer sprong had ik eigenlijk meteen al spijt, want ik wist dat het deze keer wel zou lukken. Maar aan spijt heb je niets als je eenmaal bent gesprongen.
Het volgende moment stond ik voor een poort. Dat moest wel de hemelpoort zijn. Maar geen Petrus te bekennen. Gelukkig kon je inchecken met een OV-chipkaart, want ook de vooruitgang gaat gewoon door in hogere sferen. Dus ik loop de hemel binnen, en op de hoek zie ik een kroeg staan waar het gezellig leek te zijn. De kroeg had de naam ‘De Zevende’.

Ik loop die kroeg binnen, en wie zit daar piano te spelen? Maarten van Roozendaal! Dat begon dus al goed, en toen ik Maarten hoorde zingen kreeg ik meteen zin in een biertje. Dus ik loop naar de bar en ik vraag aan de barman: ‘Allah, heb je misschien een biertje voor mij?
Terwijl ik tegen de bar leunde keek ik de kroeg rond, en aan een tafel zag ik twee mannen zitten die met elkaar in discussie waren. Toen ik beter keek zag ik dat het Bram Vermeulen en André Hazes dat waren. Ik ben aan het tafeltje naast ze gaan zitten, en ik hoorde dat Andre de hele tijd tegen Bram zat te zeuren: 
’Bram, hoe schrijf jij die mooie liedjes? Ik wil ook ook zulke teksten en liedjes schrijven! Leer het me! Leer het me, Bram!‘ 
Waarop Bram zei: ‘Als je nu eerst je Sinterklaasrijmwoordenboek wegdoet en het rijmwoordenboek van Jaap Bakker aanschaft, dan ben je al een heel eind.
Drie biertjes later kwamen er opeens drie mannen de kroeg binnenlopen. Dat waren Albert Verlinde, Gordon en Gerard Joling. Ik denk: ‘Godverdomme, ben ik eindelijk van dat aardse bestaan af en van die achterlijke mensen die er rondlopen, moeten die eikels ineens ook doodgaan…’ Maar ik dacht wel bij mezelf: ‘Toch goed dat ook homo’s gewoon in de hemel komen, op Aarde hebben ze daar hele andere verhalen over…’
Opeens tikte er iemand op mijn schouder. Toen ik me omdraaide zag ik dat het Maarten was die klaar was met spelen.
‘Zo, dus jij bent Melvin Bonnet?’ vroeg hij. ‘En jij vindt het normaal om als het even tegenzit er mee op te houden en van een flat af te springen? Wie denk je wel niet dat je bent? Herman Brood? Wij kleinkunstenaars plegen geen zelfmoord, dat is iets voor popartiesten. Wij sterven aan een hartaanval of aan longkanker, maar niet laag aan de grond! Wij blijven rechtop staan en we schrijven en zingen door tot het einde! Klootzak die je bent.’ 
Dus ik het verhaal uitleggen. Maarten begreep het wel, maar was wel kwaad. 
‘Godverdomme Melvin, ik ben dood, Jeroen van Merwijk en Kees Torn zijn gestopt. Er moet toch iemand zijn die ons soort liedjes blijft schrijven en opvoeren. En jij hebt op dit moment de beste papieren…’
Maarten en ik hebben de hele avond wat zitten praten. Toen we 33 biertjes verder waren – p.p. want in de hemel zijn er geen grenzen – kwam er een hele groep mensen binnenlopen. Ze waren druk met elkaar in gesprek en zo te horen spraken ze Frans. Ze kwamen bij ons aan de tafel zitten en toen Allah de bestellingen had opgenomen kwam één van de Franse mannen naast me zitten.
Hij zei: ‘Hoi, ik ben Charlie. Jij bent toch Melvin Bonnet, die schrijver en zanger van grove en lelijke liedjes uit de Anus van Nederland? Wij draaiden jou EP altijd bij ons in de studio! Meesterlijke liedjes, alhoewel muzikaal matig. Maar waarom ben je gesprongen? Volgens mij ben je nog lang niet uitgeschreven! Je moet doorgaan. De mensen hebben je nodig, ook al weten ze dat zelf niet!’ 
Maarten: ‘Ja, dat vertelde ik hem net ook al…’
’Ja, maar, ik ben nu dood‘, stamel ik, ‘dat kan ik niet meer ongedaan maken.’
Waarop Charlie en Maarten tegelijkertijd schreeuwden:
’Maar Melvin Bonnet een fictief persoon!’
’Nou en?’ zeg ik.
’Het voordeel van een fictief persoon zijn is dat je bedacht bent door een schrijver en schrijvers kunnen alles herschrijven…‘ roepen ze.
Al met al was het een gekke avond daar in die hemelse kroeg. Heel veel gedronken met Maarten, Charlie en Bram bij Allah aan de bar. En we mochten er gewoon roken. Ook blowen. Ik heb een waterpijp geleend van Allah. Goeie gozer, die Allah! En ik hoefde mijn drankrekening niet te betalen. Allah zei: ‘Nee, ik ben een fan van je werk. En ik heb heel veel respect voor satirici, dus jullie hoeven niks te betalen.
Tegen zeven uur ‘s morgens ging de kroeg dicht. Toen heb ik Peter gebeld en toen heeft hij dit verhaal maar geschreven.

Comments are closed.